Taak van het CTG

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) is in Nederland de hoogste rechter die oordeelt over klachten tegen beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg. De bevoegdheden van het college zijn geregeld in de wet, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) en een daarop berustende regeling over voornamelijk de procesrechtelijke aspecten van het klachtrecht, het Tuchtrechtbesluit BIG.

Het CTG is een rechter in hoger beroep en behandelt alleen beroepszaken voornamelijk tegen beslissingen van de tuchtrechters in eerste aanleg, de Regionale Tuchtcolleges, die gevestigd zijn in Amsterdam, Den Haag, Groningen, Zwolle en Eindhoven.

Het CTG is gevestigd in Den Haag en houdt zijn zittingen in het Haagse Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60.

Het tuchtrecht waarmee het CTG in hoger beroep is belast betreft de volgende beroepen: arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige.

De beoefenaren van deze beroepen worden in een register opgenomen en hun bevoegdheid om hun beroep uit te oefenen is afhankelijk van hun inschrijving in dit zg. BIG-register.

De wet BIG heeft in artikel 47 omschreven welk handelen van een beroepsbeoefenaar aanleiding kan geven tot oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3. de naaste betrekkingen van de onder 1 en 2 bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

De maatregelen die aan deze beroepsbeoefenaren kunnen worden opgelegd, wanneer een klacht tegen hen gegrond wordt bevonden zijn (art 48 van de wet BIG):

a. waarschuwing;

b. berisping;

c. geldboete van ten hoogste Euro 4.500;

d. schorsing van de inschrijving in het register voor ten hoogste een jaar;

e. gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen;

f. doorhaling van de inschrijving in het register.

Wanneer het college zitting houdt en over een zaak oordeelt bestaat het uit vijf leden en een secretaris. Drie van de leden, waaronder de voorzitter zijn juristen. Doorgaans hebben zij hun hoofdfunctie binnen de rechterlijke macht bij een gerechtshof of de Hoge Raad der Nederlanden. De overige twee rechters die voorgelegde zaken beoordelen zijn afkomstig uit de beroepsgroepen waarover geoordeeld wordt en hebben dus hun hoofdfunctie binnen de gezondheidszorg als arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige of verpleegkundige. De secretaris, die bij de beoordeling van zaken een adviserende stem heeft is weer een jurist.

Om te weten wie de rechters in het Centraal Tuchtcollege zijn en wat hun hoofd- en nevenfuncties zijn, kunt u een naamlijst raadplegen.

De rechters van het CTG worden door de koningin benoemd en hun onafhankelijkheid bij hun oordeelvorming wordt door de wet gegarandeerd. De kosten verbonden aan het instand houden en functioneren van het CTG worden uit de algemene middelen betaald door het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, maar de minister van VWS heeft geen invloed op -of verantwoordelijkheid voor- de behandeling van zaken en de te nemen beslissingen.

Behalve beroepen tegen beslissingen van regionale tuchtcolleges wordt door het CTG ook in hoger beroep rechtgesproken over beslissingen van het eveneens in Den Haag gevestigde College van Medisch Toezicht. Dit eveneens in de wet BIG geregelde College van Medisch Toezicht kan ook zonder dat er sprake is van een individuele klacht voorzieningen treffen tegen beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg wegen ongeschiktheid voor het beroep op grond van bijvoorbeeld ziekte of verslaving aan drank of verdovende middelen. Zie hieromtrent de wet BIG, de artikelen 79 en volgende.

De voorzieningen die in dit soort gevallen kunnen worden getroffen zijn (art. 80 van de wet BIG):

a. binding van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen aan bijzondere voorwaarden;

b. gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid in het register ingeschreven staande het betrokken beroep uit te oefenen;

c. doorhaling van de inschrijving in het register.