Beslissing in de zaak onder nummer B2019.001 van: A., wonende te B., C., klager, tegen D., tandarts, werkzaam te E., C., beklaagde, gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout, advocaat te Bonaire.

1. Verloop van de procedure

  • 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
    - het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 30 januari 2019;
    - het verweerschrift met bijlage, ontvangen op 14 mei 2019.
    Uit het verweerschrift blijkt dat beklaagde op het moment van het opstellen daarvan alleen telefonisch had vernomen welk(e) verwijt(en) hem door klager werden gemaakt en nog geen kennis had genomen van het klaagschrift. Na ontvangst van het verweerschrift is aan beklaagde alsnog een afschrift van het klaagschrift toegezonden.
  • 1.2 De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 10 oktober 2019 waar beklaagde is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout voornoemd. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Ter zitting zijn van de zijde van beklaagde de standpunten mondeling nader toegelicht.

2. De feiten

  • 2.1 Klager is patiënt in de praktijk van tandarts F.. Deze heeft klager verwezen voor consult en behandeling naar G., implantoloog.
  • 2.2 Klager heeft zich op 8 of 9 januari 2018 tot de implantoloog gewend met het verzoek de mogelijkheden te onderzoeken van een implantaat gedragen constructie ter vervanging van element 21. De implantoloog is een aantal weken per jaar werkzaam in de tandartspraktijk van beklaagde. Na onderzoek en uitleg door de implantoloog is aan klager een begroting meegegeven. Klager heeft aangegeven een en ander nog niet te willen laten uitvoeren. De implantoloog heeft dit in een brief van 9 januari 2018 aan de verwijzend tandarts meegedeeld.
  • 2.3 Op 16 februari 2018 heeft de officemanager van de praktijk de begroting aan klager gemaild met het verzoek om, bij akkoord bevinding, de begroting ondertekend per mail retour te sturen. Klager heeft de begroting per kerende mail ondertekend geretourneerd.
  • 2.4 Nog diezelfde dag heeft de officemanager per mail een aangepaste begroting aan klager gezonden, omdat er in verband met de locatie van het implantaat op het implantaat gelijk een tijdelijke kroon geplaatst moet worden. De officemanager verzoekt wederom om de begroting bij akkoord bevinden ondertekend retour te sturen en meldt verder dat er een afspraak voor klager is gepland op 13 april 2018 voor plaatsing van het implantaat (door de implantoloog) en aansluitend plaatsing van de tijdelijke kroon door beklaagde.
  • 2.5 Op 19 februari 2018 stuurt klager een mail aan de officemanager en meldt daarin, voor zover relevant:
    “Alsmede had ik gehoopt dat ik niet bij behandeling moest door [beklaagde], daar dat hij bij mijn familie een slechte reputatie heeft had ik gehoopt dat hier een andere optie zou bestaan.”
  • 2.6 Bij mail van 20 februari 2018 antwoordt de officemanager aan klager, voor zover relevant:
    “Maar ik begrijp dat U liever door een andere tandarts wil worden behandeld ? dan zult U het werk in een andere praktijk moeten laten doen aangezien bij ons in de praktijk alleen [beklaagde]de implantaat kronen vervaardigd.”
  • Klager stuurt op deze laatste mail twee reacties. Op 20 februari 2018 antwoordt klager:
    “Het is met mijn spijt dat ik U dit melden moet, maar ik heb het over de hardhandige
    aangreep bij mijn echtgenote het tot twee maal toe los komen van de implantaat en de slechte afwerking (dit was vastgesteld door [mijn tandarts])
    Bij mijn schoonvader had [beklaagde]de implantaat en boor in de keel van mijn schoonvader laten vallen, waardoor hij deze inslikte met de nodige gevolgen ?”
    In zijn mail van 21 februari 2018 vraagt klager of de implantoloog in april en augustus uit H. komt en vraagt of het mogelijk is dat hij zijn hele behandeling met de implantoloog in H. laat doen. De officemanager antwoordt op 21 februari 2018 dat de implantoloog in april en augustus in de praktijk aanwezig is, dat hij alleen het implantaat doet en niet de kronen maakt en dat hij ook niet werkzaam is op H..
  • 2.8 Klager heeft vervolgens besloten zich door de implantoloog te laten behandelen en is 20 augustus 2018 bij hem op consult geweest. Na dit consult heeft de implantoloog aan beklaagde gevraagd of hij klager wilde behandelen. Beklaagde heeft dit geweigerd omdat hij geen behandelingsovereenkomst aan zal gaan met een patiënt die al van tevoren aangeeft dat hij niet door beklaagde wil worden behandeld.
  • 2.9 De implantoloog heeft dit doorgegeven aan klager en met klager de mogelijkheid van een behandeling op I. besproken.

3. De klacht

Klager verwijt beklaagde dat hij klager als patiënt heeft geweigerd omdat klager zijn secretaresse had gevraagd of er nog een andere optie was als tandarts.

4. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft betoogd dat de klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

  • 5.1 Aan de orde is de vraag of beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door te weigeren klager te behandelen.
  • 5.2 Het college stelt voorop dat een tandarts niet zonder meer kan besluiten geen behandelingsovereenkomst met een patiënt aan te gaan. Daarvoor zullen goede redenen moeten zijn. Uit de notitie “Het beëindigen of het niet-aangaan van een behandelingsovereenkomst” van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (2012) komt naar voren dat een reden daarvoor kan zijn dat een hulpverlener, vanwege eerdere ervaringen met de patiënt, van mening is dat een (voldoende) vertrouwensbasis om een behandelingsovereenkomst met die patiënt aan te gaan ontbreekt.
  • 5.3 In het onderhavige geval acht het college het niet onbegrijpelijk dat beklaagde, naar aanleiding van het door klager in zijn mails van klager van 19 en 20 februari 2018 gestelde, van mening was dat een (voldoende) vertrouwensbasis voor het aangaan van een behandelingsovereenkomst ontbrak en het kan hem daarom in beginsel niet worden verweten dat hij heeft besloten geen behandelingsovereenkomst met klager aan te gaan. In een dergelijk geval is het wel van belang dat een patiënt (voldoende) zicht heeft op een goede andere mogelijkheid is om zich te laten behandelen. In beginsel is een behandelaar dan gehouden over zijn weigering een patiënt te behandelen met die patiënt in gesprek te gaan en die patiënt te adviseren tot welke hulpverlener hij zich vervolgens kan wenden. Het college overweegt hierover als volgt.
  • 5.4 Het feit dat door de officemanager van beklaagde aan klager in februari 2018 al een begroting voor een behandeling, op papier van de praktijk van beklaagde, was toegestuurd (welke begroting door klager op 16 februari 2018 voor akkoord ondertekend is geretourneerd) doet vermoeden dat er op dat moment al een behandelrelatie tussen klager en beklaagde is ontstaan. Ter zitting heeft beklaagde dit vermoeden overtuigend weersproken en hierover verklaard dat de implantoloog praktijkruimte bij beklaagde huurt en dat (de officemanager van) de praktijk van beklaagde in die periode de (financiële) administratie voor de implantoloog verricht. De begroting zoals die aan klager is toegezonden is verzonden door de officemanager van de praktijk van beklaagde, maar onder verantwoordelijkheid van de implantoloog. De naam van beklaagde wordt hierin ook niet genoemd. Beklaagde heeft verder verklaard dat de kroon die, na plaatsing van het implantaat door de implantoloog, moet worden geplaatst door iedere andere tandarts op C. (ook door de tandarts door wie klager naar de implantoloog was verwezen) kan worden geplaatst.
  • 5.5 Bij deze stand van zaken oordeelt het college dat er op beklaagde, na zijn weigering om een behandelingsovereenkomst met klager aan te gaan, geen verplichting rustte hierover met klager in gesprek te gaan noch om hem te adviseren tot welke hulpverlener klager zich vervolgens kon wenden. Beklaagde kon en mocht er vanwege de contacten van klager met de implantoloog en met de verwijzend tandarts van uitgaan dat de voortgang van de behandeling voldoende geborgd was.
  • 5.6 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is en zal worden afgewezen.
  • 5.7 Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het college de (geanonimiseerde) publicatie van (een verkorte versie van) deze uitspraak.

6. De beslissing

Het Medisch Tuchtcollege voor Caribisch Nederland: verklaart de klacht ongegrond; bepaalt dat een verkorte versie van deze beslissing op de voet van artikel 16 Wet Medisch tuchtrecht BES in samenhang met artikel 22 Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES geanonimiseerd zal worden bekendgemaakt via de website van de Rijksdienst Caribisch Nederland (www.rijksdienstCN.com), en zal worden aan-geboden aan Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing. Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; drs. J.M. Bet en mr. drs. R. van der Velden, leden beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken te Kralendijk, Bonaire, ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2019. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.